Groen wil meer sportinfrastructuur

Groen ziet dat vele Leuvenaars willen sporten, maar het aanbod aan sportinfrastructuur kan die vraag niet altijd volgen. Dat is mee te wijten aan een gebrekkig kader voor het uitbouwen van nieuwe sportinfrastructuur.

Uit de cijfers van de recente Stadsmonitor blijkt dat Leuven kansen en uitdagingen heeft als het een echte sportstad wil worden. Het aantal sportclubs is 3,2 per duizend inwoners, de sportinfrastructuur is 2,7 per duizend (telkens net onder het gemiddelde van de Vlaamse centrumsteden). De algemene sportparticipatie is evenwel hoog en zit in stijgende lijn. 54% van de bevolking sport minstens wekelijks (tegen 50% in 2008). De omgekeerde lijn zien we in de tevredenheid over de sportvoorzieningen. 82% is tevreden over de sportvoorzieningen – wat op zich natuurlijk goed is – terwijl dat in 2011 nog 87% was. Hierin ligt duidelijk een uitdaging. Met de groeiende bevolking in Leuven moeten we voorkomen dat er een achterstand komt in het aanbieden van voldoende infrastructuur. Maar dan moet er daartoe ook een goed beleidskader bestaan om dat op een correcte manier mogelijk te maken, en dat is nu onvoldoende het geval. Er bestaat een uitgebreid reglement voor de financiering van sportclubs maar dit bestaat niet voor de financiering van sportinfrastructuur.

De huidige situatie is zeer complex. Sportinfrastructuur is soms eigendom van de stad, soms van een sportclub en soms privé. Binnen die categorieën zijn er echter verschillende manieren waarop de infrastructuur gefinancierd wordt. In sommige gevallen beslist de stad om zelf de infrastructuur aan te leggen maar welke criteria ze daarvoor volgt, is niet altijd duidelijk. De gronden moeten soms aangekocht worden en in andere gevallen kunnen ze gehuurd worden van de stad. Soms is dat voor een symbolische euro maar voor andere gronden moet dan weer een jaarlijks bedrag betaald worden aan de stad. Dat bedrag kan dan weer deels gesubsidieerd worden door de stad. Er is geen lijn in deze investeringskeuze en er is ook geen kader voor de grootte van de investeringsbedragen.

Thomas Van Oppens (gemeenteraadslid): “Sportclubs en privé-investeerders hebben dus geen idee op welke steun ze kunnen rekenen als ze een project op poten willen zetten en het is vaak onduidelijk waarom het ene project betere voorwaarden krijgt dan het andere. Dat leidt enerzijds soms tot jaloezie tussen sportclubs, maar anderzijds zorgt het er ook voor dat grote plannen in de frigo blijven steken omdat de voorwaarden om steun te ontvangen van de overheid niet duidelijk zijn.”

Veel sporters zijn op zoek naar (nieuwe) infrastructuur. Zo zoekt de skeelerclub een piste, zoeken de zwemmers meer zwemuren en met de zilveren medaille van Bart Swings – die hier niet kan trainen en in Noorwegen traint – wordt er ook luidop nagedacht over een ijspiste.

Groen vraagt – met het oog op de groter wordende uitdaging – dan ook een helder algemeen beleidskader voor sportinfrastructuur waarin duidelijk gesteld wordt welke infrastructuur de stad zelf wil voorzien, in welke gevallen er op clubs of privé-investeerders wordt gerekend en welke ondersteuning deze dan kunnen krijgen en in welke vorm.

Thomas Van Oppens: “Door op die manier meer zekerheid te geven zullen clubs en investeerders vaker en sneller concrete plannen naar voor kunnen schuiven die de maatschappij ten goede komen. Om de neutraliteit te waarborgen kan er gewerkt worden met een jury die de maatschappelijke meerwaarde van elk project moet inschatten om zo te bepalen welke sportinfrastructuur prioritair is. Dit voorstel kan hopelijk een sleutelrol spelen in een beleid om de toekomstige sportinfrastructuur meer in lijn te brengen met de verwachtingen van een groeiende bevolking en met een lokaal sportbeleid met ruime ambities.”

Thomas Van Oppens

 

 

 

Foto: By Dirk Ingo Franke (Own work) [CC BY-SA 2.0 (https://creativecommons.org/licenses/by-sa/2.0)], via Wikimedia Commons